De dokters stonden voor een raadsel. Ik werd een kenner van wachtkamers, die ik beoordeelde op de kwaliteit van hun verouderde tijdschriften en het comfort van hun stoelen. Ik werd zo vaak geprikt, bevoeld en gescand dat ik er vrij zeker van was dat ik licht kon geven in het donker. Een dokter suggereerde dat het stress was. "Heb je al yoga geprobeerd?" vroeg hij, terwijl ik moeite had om mijn elleboog genoeg te buigen om aan mijn neus te krabben. Een ander dacht dat het een allergie was.
Mijn vrienden probeerden behulpzaam te zijn. "Misschien word je gewoon oud," opperde een vriend. "Heb je er al eens aan gedacht dat je misschien allergisch bent voor je eigen appartement?" mijmerde een ander. Ik was een medisch enigma, een wandelend, stijfarmig 'Zoek de fouten'-raadsel.
Uiteindelijk, na een doorverwijzing naar een reumatoloog die eruitzag als een wijze, oude uil, kwam het antwoord. Zij stuurde me naar Leuven, waar ik bij een prof terechtkwam die met toegeknepen ogen naar mijn dossier keek, met een bedachtzame uitdrukking in mijn arm prikte en toen achteroverleunde in zijn stoel.
"Wel," zei hij, terwijl hij over zijn bril keek. "Het is vrij duidelijk. U heeft het syndroom van Shulman."
Ik knipperde met mijn ogen. "Shulman? Is dat een ver familielid dat ik heb beledigd? Moet ik een fruitmand sturen?"
Hij grinnikte. "Nee, nee. Het wordt ook wel eosinofiele fasciitis genoemd. Het is een zeldzaam bindweefseldingetje." Hij gebruikte natuurlijk meer technische termen, maar 'dingetje' was het woord dat in mijn hoofd bleef hangen.
Ik verwachtte een golf van angst of vrees. Ik had een jaar lang de ergste scenario's bedacht, van buitenaardse parasieten tot een vloek van een oude mummie (en stiekem zelfs kanker). Maar in plaats daarvan overviel me een diep gevoel van opluchting. Het had een naam. Mijn mysterieuze kwelgeest, de bron van al mijn leed, heette Shulman.
Het klonk minder als een slopende ziekte en meer als een norse boekhouder die verderop in de gang woont en klaagt over het lawaai.
Ik zat daar op bed, niet met een last, maar met een clou. Ik had Shulman.
Die avond stuurde ik mijn vrienden een bericht. "Jongens," kondigde ik dramatisch aan. "Ik heb nieuws. Ik heb een nieuwe huisgenoot. Zijn naam is Shulman. Hij is een beetje een stijve hark, maakt me moe en is een verschrikkelijke profiteur. Maar we gaan er wel uitkomen."
Voor het eerst in een jaar spraken we niet op gedempte, bezorgde toon over mijn symptomen. We waren Shulman aan het 'roasten'. We besloten dat hij waarschijnlijk sokken in sandalen draagt en slechte woordgrappen maakt. We proostten erop Shulman een schop onder zijn kont te geven.
Een diagnose hebben was geen eindstreep, maar een startschot. Het betekende dat er een plan was, een behandeling, een weg vooruit. Het monster in het donker was geen monster meer; het was gewoon Shulman. En Shulman, zo besloot ik, had de verkeerde persoon uitgekozen. Het mysterie was voorbij en de komedie was nog maar net begonnen.
Comments
Post a Comment